Terug naar de Pagina Historie

 

De tweede wereldoorlog in het Spijkerkwartier


Deze pagina geeft een beeld - in woorden - van de wijk tijdens de tweede wereldoorlog. Een video verslag is uitgewerkt als een interview met mevrouw Brandt uit de Prins Hendrikstraat. Het eerste gewone interview deel 1 wordt binnenkort geplaatst, het is een interview met de heer J.W. van Steijn, die in de Spijkerstraat woonde. Deel 2 is een interview met de heer J.W. Bitter, die in de Spoorwegstraat woonde. Deel 3 is een interview met mevrouw C. Du Bois die aan de Boulevard Heuvelink woonde en nog steeds woont. Deel 4 is een interview met Louise (Wies) Hornstra-Tichelman die in de oorlogsjaren aan de Kastanjelaan 51 woonde. Tot slot verwijst deze link naar de pagina over de tweede wereldoorlog in de serie Twintig Straten en een Boulevard, eveneens op deze site.


 

^ top


 

Video verslag, mei 2004.

Onderstaande videaoverslag is een transcriptie gemaakt van een videointerview genaamd "In de schaduw van de brug", door Sacha Barraud. Het is een video van de Stichting Contact Film Cinematheek, Postbus 3100, 6800 DC Arnhem, tel 026-4434949 / ISBN 90-801573-2-5.

Deze transcriptie betreft de selectie uit de video waar mevrouw H.A. Brandt, voor bekenden en vrienden tante Henny, aan het woord is. De hele video gaat over de periode '40-'45 in het Spijkerkwartier en is het eerste document over deze periode op deze site. Wie de video wil bekijken kan contact opnemen met de redaktie.

Hoe ik in Arnhem was terechtgekomen? Oh, dat is heel leuk. Dat was met de vakantie met een vriendin van mij. En toen zijn we samen vanuit Delft, waar we samen in de verpleging zaten, zijn we op de tandem naar Arnhem gegaan. En toen waren we hier bij die heuveltjes, toen zei ze "jij trapt niet", maar ik zei "jij trapt niet", maar we hadden er geen erg in dat 't zo heuvelachtig was. Toen zijn we gaan logeren en gingen we 's avonds in "Groot Centraal", gingen we eten. Er zaten daar vier heren wat te drinken. Wij vroegen of we ook wat mochten drinken. "ja, natuurlijk, komt erbij zitten dames", twee waren van de voedselvoorziening, één was de eigenaar van de zaak en die andere die zei "ik zit in de muziek" en toen zei ik "och god, in wat voor bandje zit u dan?" En toe zei hij "…In wat voor bandje… ik ben de tweede dirigent van 't Arnhems Orkest" en dat was Hein Jordans. Nou, toen zijn we ook naar dat concert daar geweest, in Musis, dat was heel leuk en daarna, mocht je als meisje niet alleen in 't hek [??], toen zijn we eerst naar "Royal" gegaan. Nou, en daar zaten twee jongens en dat was Peter en Jack van Bienen en daar raakten we mee aan de praat en die vroegen waar we woonden, wij zeiden in Delft en verder niks. Toe kwam ik van vakantie terug en er was een briefje met een mooi etuitje getekend met een draadje erop met tien gedraaide sigaretjes. Dat was heel mooi, want dat was niet te krijgen, dat was van Peter. Toen was er een briefwisseling en nog eens briefwisseling en ik geloof dat we toen met een half jaar getrouwd zijn, toen was ik dertig. Toen zijn we in december van 1943 naar de Dijkstraat verhuist en toen zijn we dus in dat onderhuis komen wonen en daar is Jan geboren, op 16 februari.
--- september 44
Ja, die zondag. Er stond een BB'er aan de overkant en die man zag zo wit, zo wit, "ach" zeiden wij "kom maar binnen", die moest ons beschermen (lacht). Ja, …'t was eng hoor. Dat was niet meer te harden. Ze hadden dat geschut. En dat was op de brug gericht. Aan de andere kant zaten de Engelsen. En dat klonk maar door. En dag en nacht zaten die lui om je huis heen. Je hoorde maar dat gesluip, 't was eng hoor.
--- Engelsen in de stad 17 september 44
Ik denk dinsdag of woensdag. We hadden nog erwten of zo in de week staan. Die stonden er nog toen we terug kwamen, moet je niet vragen hoe. En toen zijn we gaan lopen, zijn we de Catharijnestraat opgegaan. Toen kregen we weer een bombardement, toen zijn we bij een mevrouwtje gevlucht, die hing buiten 't raam en toen zegt ze "waar moeten jullie naar toe." Toen zei ik "ja, ik wou dat ik 't wist" en toen zei ze "ach, kom maar boven" en toen zijn Miep, Dick, kleine Els, Peter, Jan en ik daar naar boven gegaan. Toen hebben we daar onze bivak opgeslagen en alle bonnetjes want zij had niks meer. Ik zei "Nou, zolang als wij nog hebben, dan eet jij wel mee".
---
En toen kwam dat bombardement op V&D. Toen was het zo verschrikkelijk, dat leek wel of heel Arnhem in brand stond, toen - ik weet niet meer wat voor dag of 't was, 't likt me in m'n idee zondagmiddag - toen zijn we gevlucht, zijn we gaan lopen richting Apeldoorn.
---
'k Had een kort jasje bij me en wat kleertjes voor Jan en wat luiertjes. Nou en 't paar schoenen wat je aan had maar voor de rest kon je toch niet meer meenemen? Maar Peter, dat was wel leuk, die was een artiest, die had een koffertje met wat penselen en z'n verf, stond altijd klaar.
--- de vlucht
Ja, dan gingen we naar Apeldoorn en ja, toe kwamen we daar bij Klein Canada terecht en daar kregen we dat klein huisje. Ach, ze waren best vriendelijk in 't begin. Maar naderhand dan was je niks meer, ach ben je gek, een evacué dat was een nul, dat was maar gepeupel. Zat natuurlijk wel gepeupel tussen, maar 't was toch, je had geen kleren, je kon je toch niet zo kleden als je zou willen. Wij hadden nog wel iets van ons zelf maar, ja dat raakte natuurlijk ook op. Dan kon je in Apeldoorn nog wel pannetjes krijgen of ..iets krijgen en dat hoorde ik dan weer van Dick Blok van der Velde. En dan gingen we d'r naar toe. En ik had geen potje voor Jan, dus ik kreeg daar zo'n bruine piespot, maar Jan had zo'n klein kontje dus dat ging niet, die zakte er met z'n hele gat in. Zei ik tegen Tonnie "weet je wat we doen? We koken er vla in". Dus wij er vla in gekookt en op tafel gezet en toen zeiden die twee blagen van Tonnie "Gats, dat lusten we niet" en toen zeiden wij "zijn wij blij, vreten wij alles op" (lacht). Ja, heerlijk. Ja, en dan, tja, we haalden bomen uit 't bos, die moesten gezaagd worden. Want we hadden een kacheltje daar moesten we op koken en dat moest met hout gestookt worden. 'k Vond 't alleen leuk toen met Roza de geit en Jan daar, liep alleen in 't open gras, was ik 'm kwijt. Nou en zat ie bij Roza de geit en dan had ie een worteltje, hap zei Roza dan, och jawel, dat waren leuke dingen.
--- Klein Canada, de huidige jongere eigenaar - hij kijkt foto's met Henny.
Ik ben hier eigenaar sinds 1984. We proberen wel in 't verleden te spitten maar dat is heel moeilijk. "Was dat uw man?". Nee, ik werkte toen in een psychiatrische inrichting. Kijk, en dit was Jan, hier was 'ie een week of zes en hij was zeven maanden, toen gingen we evacueren. (Man) "Och jee, wat een ellende, met zo'n kind". Ja, ja, kijk en dit was nou hier op Canada, Roza de geit, ja toen woog ik misschien tachtig pond. (Man) "Ik geloof dat dit huisje er nog staat". Eerlijk? "Ja, dan moet u dadelijk maar eens gaan kijken". Ja, tsjezus ja, dat waren m'n jonge jaren. Dan was hier dan een weiland? (Man) "Hierachter waren de weilanden, daar waren de toiletten. Dit is de plaats waar Sunflower stond". Ja, 't was hier. We sliepen er met z'n zessen. En als we ons gingen wassen, dan haalden we de emmer, moesten we aan de overkant water halen, de pomp stond bij het grotere gebouw, daar gingen we water halen en dat werd op de kachel verwarmt. Met 't wassen zat de rest naar de muur. Privacy was er nauwelijks in die dagen.

Dan zei de boer "ach, de koeie stean droë en de kippe zijn van de lèh", de koeien staan droog en de kippen zijn van de leg, eerlijk waar (lacht). Ik heb nog een rokje, 't enige rokje wat ik had, nog in moeten leveren voor misschien een paar eitjes. Waren nou niet zo leuk hoor, die boeren. Niet. Ja, d'r waren best wel goeie bij. Maar 'k heb es een keer met Jan 's morgens vroeg in de roggewei gestaan hè? In de sneeuw. Want Peter, dat was een halfbloed Javaan, dus dat was geen ariër, die durfde je toch ook niet te sturen. Dus ik ging altijd. Toen kwam ik aan bod en toen zei die boer "'k heb niks meer". En hij had meer als ik zo ik greep 'm zo beet en zei "jij hoeft geen kind te voeden". En toen kreeg ik nog een kilootje rogge. Nou dat was lekker hoor, roggepannenkoekjes, roggepap.
--- foto's uit de doos
Ja, d'r staat wel een datum op hè? Jantje op een kanon met een Canadees, de dag der bevrijding en dat was 17 april 45 in Beekbergen. Ja, dat was 't ie. Om 7 uur kwam Niek Petri dat zeggen "Jongens we zijn bevrijd we zijn bevrijd, de Canadezen zijn in 't dorp". En toen had ik een pakje voor Jan bewaard, 't was een pakje van m'n zuster gekregen want d'r was niks. Wit. Heb ik 'm aangetrokken en toen zijn we het dorp ingegaan en toen kwamen we daar op die weg die Canadees tegen, nou, Jan op 't kanon gezet. Toen kregen we chocola, kregen we sigaretten. Toen heb ik Jan laten eten met 't gevolg dat z'n hele pakkie naar de maan was want alles zag bruin. Dat was prachtig. Toen zijn we gaan dansen. Toen zeiden we - we komen met sigaretten thuis. Ja, had je gedacht. We konden wel sigaretten krijgen van die Canadezen, maar dan moest je eerst met ze 't bos in, daar kwam je natuurlijk niet mee thuis hè?
---
't Was een troep, vies. En toen kwam mevrouw Knijpert. Wij kenden dus Mimi Knijpert, was een vriendin van ons. En die hadden die kruidenierszaak op de hoek van de Rietgrachtstraat en die was weggebombardeerd, ook 't huis van Lammers van de drogist die naderhand op de hoek van de Parkstraat gekomen is. En toen zei Mimi "ach komen jullie bij mij" - dat was een huis van NSB'ers, dus dat stond leeg. Toen is Knijpert beneden dus de kruidenierszaak begonnen, boven woonden die. En de etage daarboven, die was dus vrij en die wilde dus, ja bekende mensen boven hun hebben en toen zijn we daar in komen wonen. Maar in de slaapkamer achterin zat een heel groot gat van het bombardement nog. Dus dat heeft er 'k weet niet hoelang gezeten voordat 't gemaakt werd. Maar je woonde.

   
   
 
 
^ top Deel 2 van de interviews over de tweede wereldoorlog in het Spijkerkwartier.

Van uw verslaggever, 6 mei 2004.
Aan het woord is de heer J.W. (Wim) Bitter. De heer Bitter is 83 jaar. Hij was ooit zeevaarder tot vlak na de oorlog. Hij woonde een groot deel van zijn leven in de Passavantlaan, maar in de oorlog was zijn vaste woonadres in feite in de Spoorwegstraat.

"Makelaar Bonsma, tevens raadslid van de anti-revolutionairen vroeg me aan het einde van de tweede wereldoorlog om te helpen bij de gemeentelijke werkzaamheden. Er was veel werk wegens terugkerende evacués (ree-evacuatie).

Het onderdeel waar ik werkte stond destijds onder leiding van een ingenieur van de AKU. Hij zorgde op basis van artikel 6 van de woonruimtewet voor de tijdelijke huisvesting van Arnhemmers. Ik heb er 40 dienstjaren gewerkt, ken alle ins/en outs van de politiek en gaf leiding aan het bureau voor de registratuur, documentatie en agenda.

Van burgemeester Matser tot Krikke, ik ken ze allemaal. Ik bespreek graag de politieke zaken achter de feiten zoals van het monument aan de Apeldoornsestraat op de hoek met de Jansbuitensingel. Ik ken de insiders en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de raadsleden. De vaardigheden van het huidige gemeentebestuur zijn beduidend minder dan in mijn ambtsperiode. In de tijd dat ik afscheid nam waren er 104 overlegstructuren in de gemeente. Dit leidde vaak tot vertraging in de besluitvorming.

Ik woonde in de Spoorwegstraat tegenover de Lutherse kerk. Ik ben een geboren Arnhemmer, mijn vader en moeder hadden een zaak, een winkel aan de Spoorwegstraat 37. Nr. 39 was de bovenwoning, daar woonden we. Het was een zaak in garnituren voor levering aan kleermakers en bedrijven. Vader is in '69 overleden. Mijn ouders trouwden in 1921. De start van de zaak is eigenlijk in 1910/1915 met een winkel aan huis. Dat was in de Prinsessenstraat op nr. 26. Daar heb ik eerst nog gewoond. Ik ben evenwel op de Markt geboren, twee huizen naast het waaggebouw. Eerst verzorgde mijn vader zijn klanten op de fiets. In 1930 verhuisden we naar de Spoorwegstraat.

In 1934 kwam de eerste auto. Ik heb nog herinneringen aan de opening van de Rijnbrug in 1935 en een autorally. In 1939 ging ik naar de zeevaartschool in Delfzijl. De zee trok. Ik bracht mijn stage door op zee.

Eind 1939 verhuisde ons gezin naar de Passavantlaan. De zaak groeide onder meer met de aankoop van panden. Van Spoorwegstraat nr. 39 tot aan Cohen op de hoek van de Hommelstraat was van vader.

Als schooljongen bracht ik wel eens de spullen naar de klanten. Die zaten bijvoorbeeld aan het Graaf Ottoplein.

Op 10 mei 1940 was ik op het internaat in Delfzijl. Ik ging in de vakantie naar huis. (aan de Passavantlaan 1). In 1941 haalde ik mijn diploma. Mijn ouders waren erg geschrokken toen de Duitsers binnenvielen. Via de radio werd omgeroepen "Delfzijl houdt moedig stand". Er is geen schot gelost. Wel waren in de haven Duitse schepen tot zinken gebracht. De Duitsers reden met een colonne Delfzijl binnen niet eerder dan pas 10 dagen na de capitulatie van 15 mei. Ik ging van Delfzijl naar Arnhem op de fiets.

In december werd het schip "de Hoendiep" waarop ik stage liep, in beslag genomen. Het schip lag toen in Oslo. Op 5 januari 1942 werden we verplicht materieel voor de operatie "Atlantic Wall" in Noorwegen te vervoeren. Dat hebben we als bemanning geweigerd. Ik ging toen onderduiken.

Een neef hielp me met onderduiken in Schalkhaar. Deze neef werd later op Dolle dinsdag in kamp Vught gefusilleerd. Later werd het Gasselternijveen en Meppel waar veel onderduikers en verzetsmensen zaten. Ik had onder andere een kamer en suite met een alkoof, een donkere ruimte en zolderkamers met kleine dakramen. Ik weigerde voor de Duitsers te werken. De zaak in Arnhem ging gewoon door. Onder de klanten waren veel joodse mensen. Ik ontwikkelde een affiliatie met Israël.

In mijn onderduikperiode heb ik daar in de kop van Overijssel de Silbertanner-moorden meegemaakt door de Nederlandse SS'ers. Mensen die zich verzetten tegen de Duitse aanwezigheid werden vermoord.

Een maand voor de slag dook ik onder in Arnhem. Ik kwam uit Kesteren waar ik een grote viermotorige bommenwerper bij Maurik neergeschoten heb zien worden door jachtbommenwerpers. De zaak van mijn vader, de fourniturenhandel in de Spoorwegstraat, werd niet gehinderd door de oorlog of de bezetting.

Het zuidwestelijk deel van de Spoorhoek is veranderd. Dat was het gedeelte vanaf Velperpoort, de Spoorwegstraat liep tot het Velperplein. Je had daar de Eerste Tuindwarsstraat, de Tweede Tuindwarsstraat. Heel veel nauwe straatjes. Heel kleine huisjes. Het Tuinplein. Vroeger was dat dus woongebied.

Je had ook HAWEKO aan de Hommelstraat. De kinderen uit de Spoorwegstraat speelden spelletjes, vooral verstoppertje. De wijk was een doodlopende hoek. Stoomtreinen reden over de spoordijk. Vanaf de kruising Hommelstraat en Spoorwegstraat was 50 meter verder rechts de Noord en Zuidstraat waar hoek en dijk bijeen kwamen. Het schoolgebouw (school VIII) aan de Spoorwegstraat wat er stond, daarachter zat de Spoorhoek, heeft na de functie als basisschool, na de oorlog dienst gedaan als huisvesting voor de GSD, de gemeentelijk Sociale Dienst. De voormalige Sacre Cœur was aan de Velperweg.

C.G. Matser werd de eerste burgemeester. Wat hij klaarspeelde in Den Haag! In zo een enorm tempo is historisch. De heer Schaap was hoofd van het gemeente archief. Ik was, bij aanvang van mijn werkzaamheden op het stadhuis 23 jaar oud en besloot mijn ambtelijke loopbaan als hoofd bureau registratuur, documentatie en agenda.

In de oorlog heeft de Spoorhoek geen schade gehad. Het was ongeschonden. Alle mensen keerden terug. De lage huisjes aan de Tuindwarsstraat zijn met de grote brand in 1994 aan de Steenstraat (Noordzijde) verwoest. De mensen die daar woonden kwamen vrijwel allemaal terug in betere huizen.

Er werd een lijst gemaakt van alle straten/percelen met oorlogsschade. Met 150 enquêteurs gingen ze na de oorlog de stad in om te beoordelen of de bewoners wel of niet konden terugkomen. Op 25 april 1945 is Arnhem bevrijd. De bewoners konden veel later terugkeren in verband met de verwijdering van oorlogsmateriaal. De stad ging feitelijk pas in juli open. Het cordon F (vertrouwensmensen die in de oorlog goed waren geweest) sloot de stad af aan de toegangswegen. Alle 93.000 bewoners zijn verjaagd. Binnen Arnhem moest vastgesteld worden wie er in de stad mocht komen omdat oorlogsmateriaal opgeruimd moest worden. De hand moest 'gelicht' worden omdat je niet eindeloos nee kon verkopen aan de Arnhemmers.

De Canadezen, die Arnhem hebben bevrijd, hebben ook geplunderd en die waren in dat opzicht geen haar beter dan de Duitsers. Het geheim is de opdrachtgever voor de evacuatie. Ik denk dat de burgers merendeels uit eigen beweging zijn gegaan, en dat er geen opdracht voor was."

Maar hij laat toch een foto van zo'n opdracht zien in een boek van Van Iddekinge "44-45" bladzijde 57.

   
   
   
 
^ top Interviews over de tweede wereldoorlog in de buurt (Spijkerkwartier)
Van uw verslaggever, 14 mei 2004
Deel 3

Bij mevrouw Du Bois - van der Kamp, ook bekend als tante Cor. Tante Cor is 75 jaar en was 16 toen de oorlog begon.

Haar oma is geboren aan de Boulevard Heuvelink op nr. 9. Haar opa herinnerd ze zich in de strandstoel voor 't huis in 't groen, nu stoep. Haar moeder is in Rotterdam geboren. Als kind groeide ze op aan de Boulevard Heuvelink. Ze was 1 ½ jaar oud toen ze hier is gekomen. Haar ouders hadden het huis in 1925 gekocht, toen nog aan het randje van de stad. Haar zus is nog geboren aan de Koningstraat.
Nu is er zo veel verkeer. Toen waren er geen auto's. De buurman was dominee den Boer van de Christelijk gereformeerde kerk aan de Poststraat. Hij had een oud recht Fordje, zo'n kistje op wielen. Hij had een rijke vrouw getrouwd. Ze hadden zes kinderen en dat waren leuke speelvriendjes. Ze was 16 toen de oorlog begon. Je onthoudt de dingen aan de details, je wist nooit wat er achter aan kwam. Er was distributieradio (Agnietenstraat) maar vader schafte ook een eigen radio aan. Je realiseert je niet hoe dingen zich ontwikkelen. Op 9 mei was ze bij haar zus om een bos paarse seringen te halen. Colijn zei dat we rustig konden gaan slapen. Moeder was de volgende dag jarig. De volgende morgen stond de bos seringen op de juiste plaats, maar ze werden wakker met het geluid van overvliegende vliegtuigen. Dat was toen een vrij uniek geluid, propellermotoren.
Later in de oorlog hoorde je geregeld bommenwerpers overkomen. Ze hebben zelf niets vreselijks meegemaakt. Ze verteld over joodse families die niet wisten wat ze zouden overkomen. De radio was onder het kelderluik. "Radio Engeland". Aan de kinderen werd niks verteld. Vader luisterde en hield het nieuws geheim voor de kinderen.Vader had antiek. De voorrad koperen voorwerpen verdween. Koper moest ingeleverd worden, verplicht. Fietsen inleveren moest ook. Dat was "befehl". De meisjes HBS was tegenover Sonsbeek. Toen ze elf jaar oud was ging ze op de fiets, een Fongers. Vader was trots op zijn fiets, het was een van de eersten. Tja, je moest doen wat je bevolen werd om uit de "Sicherheit" te blijven.
Jaren geleden zagen ze hun meubilair in een antiekwinkel in München. Het werd ooit in Duitsland aangeboden als geschenk van de Nederlandse bevolking. Ze controleerde de echtheid van het dressoir niet meer. Zou het te goeder trouw zijn gekocht door de antiekhandelaar?
De allereerste keer. Een overrompelend gevoel. Laarzen met hakbeslag. Dat rottige hakbeslag. En die Duitse petjes. Het marcheren. Een inbreuk. Ze weet niet meer waar dat was, die eerste confrontatie met de bezetter. Vader was hofleverancier, wijn. Hij kwam bij de paleizen. Op de zaak een koninklijk wapen. In de voortuin een ster van buxus, in de punten azalea's, nu oranje afrikaantjes in de hoekpunten als vorm van verzet. Binnen een uur de politie. Die moesten eruit. NSB'ers hadden verraden. Als kinderen speelde je met elkaar, ouders zijn anders. Ze heeft ze altijd gewoon blijven zien. Toen… met 16 was je nog een kind. Op school werd je ook als kind behandeld. Ze heeft achterkleinkinderen, een tweeling van drie. De kleinkinderen zijn nu volwassen en veel mondiger, toen op die leeftijd was je gehoorzaam. Ze gaat op vakantie met genoegen naar Duitsland, maar ze moet ze hier niet zien, op de eigen grond zijn ze oké. Persoonloijk had ze geen echt ernstige zaken. "Je was bang voor Duitsers, ze hadden de macht, ongecontroleerd". Het was een beknotting van de vrijheid. Er was vertrouwen in de eindigheid. Vader werd boos als de aardige melodietjes van de zondagconcerten op de kabel radio distributie stonden. Hij had er de pest aan. Hij was kwetsbaarder en weerbarstiger en moest door moeder wel eens getemperd worden.
Februari 1944. Het bombardement. Ze zat op het kantoor. Het leven ging door. Het was middagpauze. Ze werkte aan de Bergstraat. Ze liep op houten schoenen met zo'n leren bandje. Ze liep naar huis om warm te gaan eten. Ze liep ter hoogte van het Musis-park en de Singel. Er waren huizen met een portiek. Plat op de buik op de grond in een portiek. Vliegtuigen, klappen (de gasfabriek). Je schrok. Ergens in! Bonzend hart. Stil. Geen vliegtuigen. Bevend verder naar huis, angst. Nu gebeurde het ook. Bommen vielen. Een goede bekende kwam om, onder het puin vandaan gehaald.

17 september, och laat zitten, 't is voorbij. De bevrijding toch wel gedachten, ook puingedachten. In Velp. Laatste Duitsers met voortgeduwd kanonnetje. Om te laten lijken dat er meer waren. Ze was juf. Ouders waren in Dieren. Het was een via-via baantje als juf bij 3 kindertjes. Inge, Erik en nog iemand. Het was 16 april. In een kelder, de 3 kinderen waren onder de tafel. Vader en moeder zaten er bevend naast. Ze werden bevrijd. De Engelsen trokken binnen. Toen uit de kelder, de boel stond vol water want de CV was geraakt. Het was een vieze smeertroep. Geen joelen en juichen, maar dweilen. Je deed wat er gedaan moest worden.
Evacuatie - de laatste tijd - er moest brood, bakker Bork langs de huizen gedrukt naar de bakker. Er moet brood zijn voor de kinderen, maar de eigen magen rammelden ook.

De toren van de Eusebiuskerk stond in brand. Op 17 september. Ze werden bezig gehouden door een tante die nabij de gasfabriek woonde. Vriendinnen van moeder die kwamen hierheen (van boven Verbaal). Hier was een man in huis. Ze kwamen hier in de kelder, dat gaf een gevoel van veiligheid. Er was ook een uitgang extra aan de voorzijde waar de kolen in kwamen.
Hoe bericht? Dat werd omgeroepen, aangeplakt op een lantaarnpaal, ze weet 't niet meer. De luchtlandingstroepen heeft ze over zien komen. Er werd gevochten om de brug. Het was op zondag (17?) september. Het ergste was haar zus van 1 ½ jaar ouder, die was bij haar verloofde aan de Utrechtseweg. Ook zij moesten evacueren. Je wist niks. Er waren geen mobieltjes. Zus was daar en is met aanstaande schoonfamilie naar Schaarsbergen geëvacueerd. Twee maanden geen bericht, de angst van waar is ze, en is ze er nog wel? Die dingen blijven bij. De Kattenberg, daar was de vervangende burgemeester, een NSB'er, hield daar spreekuur. Vader was er te vragen op de administratie. Waar is zus (dochter). Den Haag moest ook evacueren. Meneer van de Kamp! Hee! Toos is in Lunteren. Vader kwam daar en daar was iemand die Toos kende.
Op koninginnedag 1945 (op 31 augustus) kreeg ze kinderverlamming (polio). De dokter dacht aan griep. Ze ging naar het Canisius ziekenhuis. In een ijzeren long. Er was niemand voor de verzorging. Polio is besmettelijk. Mevr. Du Bois was toen een novice, en 's avonds een gepensioneerde. Zus heeft zo nog 10 jaar geleefd. Helen Keller schreef verhalen als doofstomme, na de ziekte (?).

Evacuatie. De vluchtkoffer stond altijd klaar. De poppenwagen in de schuur in de bak de gtehamsterde bruine bonen, wijnmanden met kleding, touw op de poppenwagen. Toen ze moesten gaan, keek ze niet eens om. Vader kon het niet verteren. Was meer gehecht aan dingen. Zelf had ze de natuur van moeder "kom we zijn d'r nog".
Toen is ze met oom (van de Paasberg) gegaan, door de Middachtenallee. Ze liep op kaplaarsjes. Oom en tante hadden veel boter verzameld, een emmer met boter. Ze struikelden over een boomwortel en lagen in de boter. Lachen! Maar vader werd boos. Koffertje, poppenwagen… Zo was de aankomst in Dieren. Er was een hele optocht. Er was een vrouw op een handkar met een net geboren baby. Ze waren naar Dieren wegens vertrek uit de Paasberg. "Zoekt u onderdak?" zei een mevrouw. Ze woonden in een groot huis. Ze had een afgezaagd kachelpijpje als fornuis. Het was geleidelijk aanpassen. De armoe was een groot verdriet. Met platte wagen wijn en spullen. Wijn was een uitstekend ruilmiddel. Dat werd gered. Ze gind werken als juf voor drie kindertjes.
Er waren bommen in de Oranjestraat in Velp. Vader, moeder en de jonge mevrouw Du Bois namen elk een kind en vertrokken. Ze ging terug met een slee met de huishoudhulp, ze hebben toen van alles aan kleding gehaald en kolen uit de kelder. Alles was leeg. De ramen klapperden. Deuren stonden open. Het hele meubilair stond in de gang om vervoerd te worden. Griezelig. Later is alles gejat. 'Liebesgabe' voor Duitsland want er werd daar gebombardeerd. Toen vader terugkwam was alles weg.

   
   
   
 
^ top  
 

Interviews over de tweede wereldoorlog in de buurt (Spijkerkwartier)
Van uw verslaggever, 27 mei 2005
Deel 4
Terug naar Arnhem
Louise (Wies) Hornstra-Tichelman over de periode '40-'45 in het Spijkerkwartier.

Ze was de eerste bewoner van de flat in de Lawick van Pabststraat, gebouwd op de oude grond van het voormalige diaconessenhuis, na een verblijf van 20 jaar in Roermond, en na het overlijden van de echtgenoot. De zoon liet tekeningen van de bouwplannen zien en Wies (Louise) Hornstra geboren Tichelman besloot meteen te verhuizen als de eerste flat zou zijn opgeleverd. Ze was weer terug in Arnhem.

1941. Wies' vader en moeder verhuisden van Sneek naar Arnhem. Vader werd inspecteur van de belasting in Arnhem. Het adres in Arnhem werd Kastanjelaan 51. Nu zit daar Osmose. Na de aanvang van de oorlog moest vader onder dienst, hij was eerder inspecteur in Sneek. De volgende post werd Arnhem. Hij wilde dat ook graag. Er werd dus een huis gehuurd. Alles ging z'n gangetje, haar jongste zus Ans werd daar geboren in 1941. Het gezin bestond uit vader, moeder en 8 kinderen

Ze is nu bijna 80, maar toen bijna 15.
Het fatale moment was de evacuatie in september 1944. Weg. Waarheen? Verschillende adressen, eerst bij kennissen op het Hazegrietje. Daar woonden vrienden van vader.
Zelf zat ze in Arnhem op de meisjes-HBS. Van de oorlog heeft ze weinig gemerkt. W ging naar de Van Limburg Stirumschool. Het was rustig, tot de razzia's begonnen. De oudste broer Hein moest onderduiken, hij had "de leeftijd". Dan liep je kans te worden opgepakt met de razzia's voor de "Arbeidseinsatz". Hij verbleef dan in een hok onder de kamer, onder een houten luik. In 1943 deed Wies eindexamen. De dienstbode vertrok in 1944. Wies ging het huishouden doen, het was een groot huis en oma woonde ook in huis. Kortom, er was werk genoeg.

Wies herinnert zich een indrukwekkend voorval. Het was toen op de Kastanjelaan 51. Ze keek uit het zolderraam om te kijken naar de stad. Ze zag een bom vallen op de Eusebiustoren. Wies zag de toren omgaan, de torenspits vatte vlam. Ze voelde geen angst, maar het was wel heel aangrijpend. Het was leven van dag tot dag. Half september 1944, ongeveer in de tijd van het bombardement op de gasfabriek.

Hazegrietje, dat is de Weg langs het Hazegrietje, in de oksel van de Apeldoornseweg en de Cattepoelseweg, daar verbleven ze toen eerst een paar nachten bij de familie van mr. Eling Visser. Die hadden een schuilkelder in de tuin, maar ze sliepen in huis. Toen naar een huis aan de Cattepoelseweg. Toen door. Het was lopen, in een karavaan naar een stal in Schaarsbergen. Spullen in een wagentje van de kinderen, ook daar een paar nachten. Toen verder naar Ede, gelopen circa 20 kilometer. Iedereen deed dat. In Ede bleven ze bij een collega van vader, die had gezegd: "kom maar bij ons". Hoe wist vader dat? Geen idee. Er bestond wel telefoon, maar in de oorlog werkte die niet en er was ook geen post.

In Ede bleven ze een dag. Daarna gingen ze verder naar Bussum, bij opa en oma van moeders kant want daar was eten genoeg. De tocht ging met een oude vrachtauto met meer mensen. Toen bij de grootouders bleek er helemaal geen eten genoeg te zijn! Ze bleven er een week. Toen gingen ze verder naar kennissen van de grootouders, ook in Bussum, die hun huis hadden afgestaan aan deze Arnhemse evacués.

Waren ze nog steeds met z'n 10-en? Nee, twee kinderen bleven in Zeist bij familie en 6 kinderen gingen mee naar Bussum.
Oma Tichelman is in Schaarsbergen via dominee Both ergens in een bejaardenhuis gekomen. En later kwam ze weer terug naar de Kastanjelaan 51.

Wies vertelt nog een ander bijzonder voorval. Ze vertelde aan haar ouders dat ze de volgende morgen op de fiets naar Zeist zou gaan om haar broer op te zoeken. Maar in werkelijkheid was ze van plan om naar Arnhem te fietsen. Ze vertrok de volgende ochtend zogenaamd naar Zeist, maar fietste door naar Arnhem.

De aankomst kan ze zich goed herinneren. Het was ontstellend luguber en triest in de stad. Wies deed net of haar neus bloedde en fietste door naar de Kastanjelaan 51. De gordijnen wapperden uit de ramen, enkele soldaten heeft ze gezien. Die liepen of marcheerden door de straat, die keken wel maar deden of zeiden niets. Ze kwam aan de deur en die stond open. Het waren stoelen van anderen die binnen stonden. Ze dacht "wat zal ik meenemen?". De hele afwas stond nog in de keuken, zo haastig waren ze destijds vertrokken. Het vuile tafelzilver deed ze in theedoeken en stopte ze in de tas. Toen ging ze naar boven en deed vaders jacquet in doeken en haalde tot slot een flesje wijn uit de wijnkelder. Toen hoorde ze op de granieten vloer voetstappen. "Wass müssen Sie hier?" vroeg een man in uniform. Wies gaf kalm en zelfverzekerd antwoord dat ze een flesje wijn haalde. "Nehmen Sie was Sie wollen" antwoordde de Duitser. Wies kon rustig doorgaan en pakte verder in en vertrok, door een lugubere stad. Langs 't spoor tussen Arnhem en Ede floten de kogels om haar oren maar ze fietste gewoon door helemaal naar Bussum, waar ze ongeschonden arriveerde. "Hoe was 't met Hein?" vroegen haar ouders. Ze waren zeer verbaasd en waren gelukkig niet boos. De naam Louise (dapperheid) was eer aan gedaan door de draagster ervan.

Het eten was op de bon. Op een goede dag haalde moeder slaolie. Moeder viel met emmer en al, de olie was weg. Dat was een triest moment. Zelf heeft ze een laatste restant aardappels gerooid bij een boer. Het werd steeds moeilijker met het eten.

Hoe het bericht was gekomen weet ze niet meer, maar ze waren welkom in Sneek en er was daar eten genoeg. Ze waren te gast in het huis van mevrouw de Jong aan het Julianapark in Sneek.

De reis er naar toe was een nacht in een schuit van Huizen naar Lemmer. Het was nog winter, wel al aan het einde van de winter. Het was ongeveer maart 1945. Ze gingen met de auto van Lemmer naar Sneek. Wies was nooit bang. Ze heeft aan de oorlog geen trauma's overgehouden. Ze kende geen angsten. Maar, het was wel spannend. Het was een bijzondere tocht, over wat toen nog de Zuiderzee was.

In april was de bevrijding in Sneek. Dat hebben ze vanuit het huis van mevrouw de Jong beleefd. De ouders en zes kinderen.

Wat deed je overdag? Er waren berichten via de radio. Op 15 april heeft Wies met de Canadezen de bevrijding gevierd. Ze was toen twintig. Met vriendinnen om de Canadezen gehost, wittebrood en chocola, dolle feesten, heel speciaal. En toen was het wachten tot Zuid Nederland werd bevrijd.


Iedereen moest koper inleveren. En natuurlijk ook de radio. Haar vader zei: "Kom mee Wies!". Ze gingen op de fiets met de bagage naar het bos. De schep was mee. Ze hebben een gat gegraven. Daarin de spullen opgeborgen, in de grond. Wies heeft het nooit meer teruggehaald. Ze weet de plek ook niet meer precies. Het waren een koperen ketel, kandelaars, een kleine ouderwetse hoge radio in kranten verpakt, alles was in kranten verpakt. Het was een redelijk groot gat. Op de terugweg is er niet meer over gesproken.

Na de bevrijding gingen een zus en een broer op de fiets naar Arnhem. De ramen waren stuk. Het gras stond kniehoog en de hele buurt kwam kijken of er iets van hun meubels bij was. De piano stond er nog. De bedden en de boekenkast ook. Toch was er veel gestolen. Een schilderij was stuk gesneden. Maar bezit was niet zo belangrijk op dat moment. Het samenzijn telde veel meer.

Op een keer moest vader naar een boer in Lobith, waar de administratie op orde gebracht moest worden voor de fiscus. Een oude bijbel met platen van Gustave Doré kreeg hij als dank. Dis kostbare geschenk is nu in handen van Wies.

In de periode dat ze in het Spijkerkwartier woonde ging ze naar de Oosterkerk in de Rietgrachtstraat. In de oorlog gingen de preken over de vijand die verdelgd moest worden. Was ze niet bang voor NSBérs dan? In Sneek waren de NSBérs wel in de kerk, maar die deden niks. Na de bevrijding werd in Sneek een NSB-vriendinnetje kaalgeschoren. Ze werd buiten op een stoel geknipt en geschoren met een tondeuse. Het was een Fries meisje, ze onderging het gelaten. Het moest nu eenmaal. Je nam toen wat je nu nooit zou nemen. Je gehoorzaamde en zelfs de moffen. De verzetsmensen deden het kaalscheren.

Ze vertrokken uit Sneek. Omdat er veel gestolen was gaf een doktersgezin een boel textiel, zakdoeken, theedoeken, lakens en beddengoed cadeau. Ze gingen - op een broer en een zus na die eerder per fiets gingen - met z'n allen met de trein naar Arnhem. Vanaf het station liepen ze naar de Kastanjelaan 51.

Na de oorlog heeft de familie Tichelman nog 20 jaar aan de Kastanjelaan gewoond.

De oorlog in de wijk had kapotte huizen en winkels opgeleverd. Het belastingkantoor waar vader werkte was toen aan het Willemsplein. Wies werkte na de oorlog als directiesecretaresse bij de ziekenfondsmaatschappij "Voorzorg". Die zaten toen aan de Apeldoornseweg en verhuisden later naar de Velperweg.

Na haar huwelijk in '48 vertrok ze naar Middelburg en nog later naar Amstelveen en via Groningen en Roermond kwam ze weer terug naar Arnhem.



 

Terug naar de Pagina Historie