Arnhem, 5 april 2007
Het onderstaande verhaal over het koetshuis werd aan de redactie aangeboden
na een kennismaking met de heer Ansems voor een gesprek over de mogelijkheden
voor publiek gebruik van het tot dusver geblokkeerde pad langs de Martinuskerk,
waar in theorie een mooiere bestemming voor mogelijk is dan het huidige
gebruik. We bieden graag het verhaal aan de lezers aan. Van de redactie
is ter oriëntatie een stukje kaart (1889) en een foto (eigen redactie,
EB) bijgevoegd. Na bestudering hebben we gemeend ook een woord te wijden
aan de auteur, mevrouw Jolanda Keesom, eveneens wijkbewoonster.
De auteur heeft in ieder geval "Een eeuw onder de dekmantel"
van drs. A.G. Schulte gelezen, dat in 1975 is uitgegeven bij gelegenheid
van het 100 jarig bestaan van de Martinus. En de Kadastrale Atlas van
Gelderland (deel Arnhem) geraadpleegd. Inhoudelijk lijkt het verhaal
vrij solide, soms wat kort door de bocht geformuleerd (o.a. de passage
over de katholieke kerkenbouw).
De verborgen geschiedenis van een Arnhems koetshuis
Zolang de sporen niet al te grondig worden weggewist, zijn overal in
de stad flarden van de geschiedenis te vinden. Volg zo’n spoor en
het voert je zomaar eeuwen terug in de tijd. Dat is ook het geval bij
nadere beschouwing van het binnenterrein naast de Sint Martinuskerk, tussen
de Steenstraat en de Ir. Van Muijlwijkstraat. Daar staat sinds 1888 een
koetshuis dat van alles vertelt over het verborgen verleden van Arnhem.
Jarenlang lag dit koetshuis verstopt achter een schutting, totdat Hans
Ansems, die er vanuit zijn ASPECTS - pand aan de Ir. Van Muijlwijkstraat
al diverse malen begerige blikken op had laten vallen, het eindelijk kon
betrekken. Na een uitgebreide opknapbeurt springt het roestbruin geschilderde
koethuis nu behoorlijk in het oog. Waar decennialang een houten schutting
naast de Sint Martinuskerk het koetshuis aan het oog onttrok, staat nu
een donkergroen hekwerk dat toegang geeft tot een lager gelegen binnenplaats,
met resten van een bakstenen scheidingsmuur, een enorme esdoorn en een
kleurrijke showroom voor lichtarmaturen. Het levert verbaasde blikken
op en trekt bruidsparen op zoek naar een fotogenieke locatie. Hoe komt
dit pand hier? Wie heeft het laten bouwen en waarom?
Van herberg tot handwerkzaak
In het Gemeente-archief, dat inmiddels is ondergebracht in het Gelders
Archief aan de Markt, is op foto’s van de Steenstraat uit het begin
van de 20e eeuw te zien dat er zwarte paarden met een koets uit de steeg
naast de kerk komen. In die tijd was het pand aan de Steenstraat met de
huidige nummers 9 en 11, naast de kerk, verdeeld in een winkel- en een
woonlaag. Bekend is dat op Steenstraat nummer 9 voor de Tweede Wereldoorlog
een gerenommeerde handwerkzaak zat met de naam ‘De Libelle.’
Van heinde en verre kwamen de dames daar inkopen doen. Er gaan verhalen
over blauwbekkende koetsiers die ’s winters buiten moesten wachten
totdat de dames hun keus hadden gemaakt. Voor hen was het koetshuis kennelijk
niet bestemd. Maar voor wie dan wel?
In de Kadastrale Atlas van 1832 is het eigendom en de functie van de grond
in Arnhem voor het eerst vastgelegd. Het koetshuis blijkt er nog niet
op te staan en de kerk evenmin. Wel staat er een perceel op dat in gebruik
is bij kastelein Jan Peter Florissen aan de Steenstraat als ‘huis
met erf’. Daarnaast heeft hij van de gemeente een stuk in erfpacht
waarop een stal staat. Op de kaart is te zien dat achter het huis aan
de Steenstraat twee muren lopen waar iets tegenaan gebouwd is. Helaas
heeft het Gelders Archief van dit gebied geen kastrale kaarten van latere
datum. Navraag bij het Kadaster levert wel de bouwdatum van het koetshuis
en de namen van de eigenaren op. Na de bouw van het koetshuis in 1888
moest een ambtenaar van het Kadaster langskomen om de nieuwe situatie
vast te leggen. Uit zijn administratie blijkt ook dat het eigendom in
die jaren snel wisselde. Als kastelein Florissen is overleden volgt een
reeks vermoedelijke erfgenamen die niet meer in Arnhem maar voornamelijk
in Amsterdam wonen. Dat klopt met het verhaal van de familie Haikes die
in 1942 naar Arnhem kwam en een winkel met woning huurde van een Amsterdamse
familie, voordat die het pand en het koetshuis in de jaren vijftig uiteindelijk
aan Haikes verkocht. Van de voorgeschiedenis waren toen een paar details
bekend zoals de ingrijpende verbouwing die aan het eind van de negentiende
eeuw moet hebben plaatsgevonden. Daarbij veranderde het pand aan de Steenstraat
van ‘Herberg De Roskam’, met een groene waranda over de hele
breedte van de voorgevel, in twee afzonderlijke winkels en woonhuizen.
Een herberg; verklaart dat de aanwezigheid van een koetshuis?
Plaatsmaken voor de kerk
Op een kaart van rond 1850 is te zien dat er naast de toenmalige herberg,
op de plek waar nu de kerk staat, een gebouw in de lengterichting van
de Steenstraat stond. Dat klopt met de geschiedschrijving over de Sint
Martinuskerk, want toen het kerkbestuur in 1860 de grond aankocht stond
daar
voor de muur van de toenmalige begraafplaats een doorrijschuur van de
weduwe Jas, de erfgename van Florissen, die op Steenstraat 4 woonde. Met
de bouw van de kerk raakte de herberg een plaats voor de paarden en rijtuigen
kwijt. Na de verbouwing van het pand aan de Steenstraat waarbij een gedeelte
aan de achterkant gesloopt werd, kwam er ruimte op het erf vrij voor een
flink koetshuis. Dat werd gedeeltelijk gebouwd op bestaande funderingen
die geen rechte hoek met elkaar maken, wat verklaart waarom de muren niet
parallel lopen.
De bouw van de katholieke kerk aan de Steenstraat is een verhaal apart.
Die was bedoeld om de sterk groeiende Arnhemse bevolking een nieuwe kerk
te geven toen de katholieken op basis van de Grondwet weer het recht kregen
om kerken te bouwen. Door de aanleg van de spoorlijn en de sterke verstedelijking
rond het midden van de negentiende eeuw was de omgeving van de Steenstraat
en de Hommelseweg in hoog tempo volgebouwd, met voornamelijk kleine arbeiderswoningen.
Op de plaats van de huidige Ir. Van Muijlwijkstraat lagen toen de Stroosteeg
en de Korte en de Lange Uitweg. Daaraan hadden aan het begin van die eeuw
nog boerderijen en weilanden gelegen. Omdat veel kerkgangers een heel
wat eenvoudiger bestaan leidden dan die van de katholieke kerk in het
centrum, kreeg de parochie al gauw de bijnaam ‘klompenparochie’.
Pruisen achter de muur
De Sint Martinuskerk is gebouwd op een begraafplaats die daar vanaf 1829
lag, toen het begraven binnen de stadsmuren verboden werd. De gemeente
Arnhem had al veel eerder een begraafplaats buiten de toenmalige stad
willen hebben omdat het kerkhof binnen de muren te vol werd. Dat stuitte
eind achttiende eeuw op veel verzet bij de bevolking omdat alleen misdadigers
in die tijd buiten de muren werden begraven.
Pas in 1821 werd de ommuurde tuin aan de Steenstraat gekocht voor de aanleg
van een nieuwe begraafplaats. Deze plek lag vlakbij de Velperpoort, indertijd
een van de belangrijkste toegangen tot de stad die ongeveer op de plek
van het huidige Musis Sacrum lag. Deze tuin was van een welgestelde Arnhemmer
die er in ieder geval een gemetseld tuinhuisje in had. Die tuin had een
roerige geschiedenis want in 1813 hadden Pruisische soldaten vanachter
de tuinmuren de Fransen - die Arnhem toen bezetten - onder vuur genomen.
Over een strategische plek gesproken. Of dit feit nu een rol speelde of
niet, toen de begraafplaats in 1829 werd geopend was het begraven buiten
de stadsmuren niet meer zo beladen. Misschien speelde daarbij ook mee
dat in 1840 de stadsmuren werden afgebroken. Helaas was de begraafplaats
toen eigenlijk alweer te vol en was de omgeving te dicht bevolkt aan het
raken. In 1851 werd de nieuwe begraafplaats ‘Onder de Linden’
aan de Hommelseweg geopend, die in 1877 ook alweer moest worden gesloten.
Sindsdien is Moscowa de belangrijkste Arnhemse begraafplaats.
De bloeitijd van de stalhouderijen
Wat heeft dit alles nu met het koetshuis tussen de Steenstraat en de Ir.
Van Muijlwijkstraat te maken? De erfgenamen van herbergier Florissen hebben
vermoedelijk weinig met het gebruik van het koetshuis te maken gehad.
Duidelijk is dat bij de verbouwing van het pand aan de Steenstraat rekening
is gehouden met een doorgang die breed genoeg was voor koetsen. Tegenwoordig
is dat door een verbreding van de etalage aan die kant niet goed meer
te zien. Waarschijnlijk hebben de erfgenamen Florissen het koetshuis van
meet af aan verhuurd aan een stalhouderij uit de buurt. Het koetsiersbedrijf
maakte in de tweede helft van de negentiende eeuw een grote bloei door.
Op de eerste plaats kwam er steeds meer vraag naar
ritten voor trouwerijen en begrafenissen. Niet verwonderlijk gezien de
steeds grotere afstand naar de begraafplaatsen. Ook werden in die tijd
dagtochten over de Veluwe populair bij mensen uit het westen die na de
aanleg van de spoorlijn steeds meer de natuur opzochten. In de Spoorweg-
en Spijkerbuurt zaten verschillende koetsiersbedrijven, waarvan Matser
en Boekhout de bekendste waren.
Boekhout was een van de laatste huurders van het koetshuis. Hij kwam uit
een familie van veehandelaren en koetsiers. Nadat zijn stalhouderij op
de hoek van de Spijkerlaan en de Prins Hendrikstraat in 1944 verwoest
werd, startte hij na de oorlog in het koetshuis aan de Steenstraat zijn
bedrijf weer op. Zijn zoon Jolderik die dit voorjaar even over was uit
de Verenigde Staten, herinnert zich nog dat hij als jongetje van zes de
paarden moest vasthouden op de binnenplaats. Eng vond hij dat. Binnen
stonden toen koetsen en rijtuigen die zijn vader na de verwoesting van
zijn bezittingen in de oorlog her en der in het land had opgekocht en
had laten opknappen bij Veth op de Spijkerlaan. In het koetshuis verkleedden
de koetsiers zich al naar gelang de gelegenheid en werden de paarden op
kleur ingezet.
Ook het koetshuis was niet ongeschonden door de oorlog gekomen. Bij een
bombardement in de Bloemstraat raakte het dak beschadigd. Terwijl in de
Steenstraat en de Spijkerbuurt hele stukken straat in puin werden geschoten,
bleef het winkelpand aan de Steenstraat wonderwel overeind. In 1953 vertrok
de familie Boekhout naar Amerika en kwam er een einde aan de stalhouderij.
Hoewel Boekhout na de oorlog ook auto’s kocht en zijn bedrijf weer
goed op poten kreeg, zag hij in Nederland geen toekomst meer voor zijn
gezin. De koetsen raakten uit de mode, de begrafenisfondsen kochten hun
eigen auto’s en van het toerisme moest hij het ook niet hebben in
die tijd. Het koetshuis verdween vanaf dat moment uit het zicht. De kerk
wierp er zijn zware schaduw over. De muur aan de kant van de Stroosteeg
verdween en de Ir.Van Muijlwijkstraat werd aangelegd. Toen de familie
Haikes in de jaren vijftig het pand met het koetshuis kocht, is het dak
van het koetshuis vernieuwd. Sindsdien deed het dienst als opslag, onder
andere voor decorstukken.
In 1965 werd aan de Ir. Van Muijlwijkstraat, achter de Martinuskerk, een
modern winkelpand gebouwd. Vanaf de eerste etage biedt dat aan de achterkant
een goed uitzicht op het toen nog grijs gestucte koetshuis. En daardoor
liet iemand er op zekere dag zijn licht op schijnen.
Weet u wie er voor Boekhout gebruik maakte van het koetshuis? Laat het
Hans Ansems weten op:026-4439451 of 026-4434985
Jolanda Keesom
|